Waar ik woorden aan wil geven


Het luik in het Hinthamerhotel

Kraan, de oudere broer van sluismeester Krijn, geeft me een glas en een fles water. ‘De blauwe kamer is voor u, met uitzicht op onzicht’. Te beduusd als ik ben door de val van het trapje, zó, rechtstreeks het Hinthamerhotel in, draai ik me om en vraag niet wat hij bedoelt. 

De deur van de kamer staat op een kier. Geluidloos zwaait de deur verder open. Nadat ik de fles op tafel heb gezet kijk ik om en zie alleen nog maar een diepblauwe muur. Er zwemmen vissen langs, ze wenken me. Als ik dichterbij kom schieten ze snel weg. Plotseling rolt het wiergroene vloerkleed zichzelf op en onthult een houten luik. Zacht watergeklots wordt hoorbaar. Ook hoor ik zacht engelachtig gezang. De vissen groeperen zich rond het luik en kijken mij hoopvol aan. Het lijkt alsof het luik klemt maar als ik aan de zware ring draai geeft het mee. Vol ongeduld schieten de vissen het donkere gat in. De laatste wacht op mij. Ik steek een kaarsje aan en voorzichtig steek ik mijn hoofd in het gat. ‘Kom mee’, zegt de vis. Met zijn vinnen slaat hij het water opzij. Ik volg hem en het vlammetje van de kaars wordt steeds groter. De andere vissen hebben een grote luchtbel gemaakt. Het licht van de vlam schijnt op een gedaante. Ze glimlacht en strekt haar armen uit. ‘Mijn verloren zoon, ik hou echt van je. Ga terug naar jouw wereld en omarm het leven’.

Het luik in het Hinthamerhotel schreef ik voor de schrijfwedstrijd 'Slapen onder de brug', georganiseerd door Sluismeester Krijn.

Ik won de eerste prijs.

augustus 2020

 


Het sprookje van de houthakker

Er was eens een eenzame houthakker die leefde in een groot bos. Het stond vol beuken, kastanjes, dennen en nóg wel honderd soorten. Hij voelde zich rijk tussen deze krachtige en statige verschijningen. Zorgvuldig koos hij de bomen uit die hij ging kappen. De bomen waar vogels nesten in bouwden liet hij staan. Als hij weer een lading hout had bracht hij die naar de rand van het bos. De mensen uit het dorp haalden het daarna op. Zo konden zij hun kachels en fornuizen stoken. Telkens als ze het hout ophaalden lieten ze eten achter voor de houthakker. De geurigste broden, rijkgevulde stoofpotjes en soms een heerlijke taart vond hij telkens weer. Dat was fijn. Maar nog nooit had hij iemand uit het dorp ontmoet en dat stemde hem droevig. Hij kende wel alle bosdieren. Voor hen legde hij de takjes en takken bij elkaar die overbleven na het hakken van de bomen. Ze bouwden er hun nesten en holen mee. 

Op een dag stormde het zo hard dat alle bomen rondom het huis van de houthakker omwaaiden. Hij kon zijn huis niet meer uit. Toen de dorpelingen geen nieuw hout meer vonden aan de rand van het bos vroegen ze zich af wat er aan de hand was. Ze zagen dat de dieren onrustig het bos in en uit gingen. Konijnen, eekhoorns, ook mollen en ja, zelfs de vos liet zich zien. De vogels vlogen in vreemde boogjes boven de mensen. De paniekerige geluiden die de dieren maakten hadden ze nog nooit gehoord. Het was duidelijk, de dorpelingen moesten meekomen. Ze namen tassen vol eten en drinken mee en liepen het bos in. De vos ging voorop, gevolgd door de hazen, de sprinkhanen, de mieren en alle andere dieren. Ze leidden de dorpelingen naar het midden van het bos. Daar zagen ze de omgewaaide bomen liggen rond het huis van de houthakker. Meteen sleepten ze alle boomstammen weg en de houthakker kwam uit zijn huis. Van blijdschap viel hij iedereen in de armen en bedankte hen allemaal. Het eten en drinken werd neergezet en samen genoten ze, tot laat in de avond, van een heerlijk maal. En de dieren? Die zagen dat het goed was en waren blij voor de houthakker.

 

Het sprookje van de houthakker schreef ik tijdens de schrijfworkshop Sprookjes schrijven gegeven door Lia Hesemans.

24 juni 2020

 


Groene beren

Stilletjes staan ze daar,

met hun groene vachten,

laagje over laagje.

De koppen iets naar voren gebogen,

armen op de rug.

Ze staan in een groep, stil te zijn.

Ze overdenken de wintertijd, onze tijd.

Af en toe kijkt er eentje om,

maar zwijgt in mensentaal.

 

Wij zijn met elkaar,

standvastig met elkaar,

wij houden onze warmte vast.

En als je wil, zeggen ze in berentaal,

Kom er dan maar bij,

de hele winter lang.

 

 

Groene beren schreef ik tijdens een schrijfworkshop gegeven door Lia Hesemans.

november 2018


Missie

ten einde niet onder 

een auto te komen

vraagt hij een agent

het verkeer stil te leggen

die hem beleefd doch dringend 

verzoekt verder te lopen

 

de man beweert een missie

te moeten vervullen

alle grote steden van de wereld moet hij aandoen

om iedereen te vertellen

van de rust

die hij niet kan vinden

 

plotseling sprint hij

naar het midden van het kruispunt

luid toeterend en naar hun voorhoofd wijzend

razen de automobilisten

rakelings langs onze man

die het ook niet helpen kan 

dat juist hij is aangewezen

de wereld te vertellen

over haar ongelijk

 

1979


Het nieuwe jaar

Met de knallende champagnekurk

is ons dit keer ook de vreugde ontschoten

maar wat hebben we genoten

van het vuurwerk en moeders jurk

die de hens in ging

en oma die stikte in een oliebol

het heerlijk ding.

 

Nee, smart en kommer

zullen ons het komend jaar vergezellen

breekt de pest uit

het zou me niet verbazen.

 

De volledige drankvoorraad

was snel uitgeput

ieder vond al gauw in zijn kraag

een duizelend stuk

als schepje boven op dit feest

doet pa maar al te graag

een rotje in zijn broek

en schreeuwt om het meest

 

Is dit het begin?

het eind is reeds zoek!

 

1979


Meneer Veen

Reeds jaren probeerde hij één te worden met de natuur. In een groen pak en zijn gezicht besmeurd met modder lag hij daar te vegeteren tussen varens en half onder bladeren verscholen. Elke dag een centimeter dichter bij de waterkant. Hij waande zich een plant. ‘Meneer Veen’, riep de zuster, ‘komt u een kopje thee drinken?’ Oh, wat ergerde hij zich daaraan. Altijd als hij net een gesprek was begonnen met de andere planten riep de zuster hem. ‘Meneer Veen, wat ziet u er weer uit, wilt u niet liever gewoon een wandeling maken door het bos, dan geniet u toch ook van de natuur?’ Het was altijd hetzelfde liedje: ‘U maakt uw kleren zo vies meneer Veen, waarom doet u dat nou meneer Veen?’ Laat ze maar kletsen dacht hij dan, eens zal ik verdwenen zijn.

 

1980