Waar ik woorden aan wil geven

Groene beren

Stilletjes staan ze daar,

met hun groene vachten,

laagje over laagje.

De koppen iets naar voren gebogen,

armen op de rug.

Ze staan in een groep, stil te zijn.

Ze overdenken de wintertijd, onze tijd.

Af en toe kijkt er eentje om,

maar zwijgt in mensentaal.

 

Wij zijn met elkaar,

standvastig met elkaar,

wij houden onze warmte vast.

En als je wil, zeggen ze in berentaal,

Kom er dan maar bij,

de hele winter lang.

 

2018

Missie

ten einde niet onder 

een auto te komen

vraagt hij een agent

het verkeer stil te leggen

die hem beleefd doch dringend 

verzoekt verder te lopen

 

de man beweert een missie

te moeten vervullen

alle grote steden van de wereld moet hij aandoen

om iedereen te vertellen

van de rust

die hij niet kan vinden

 

plotseling sprint hij

naar het midden van het kruispunt

luid toeterend en naar hun voorhoofd wijzend

razen de automobilisten

rakelings langs onze man

die het ook niet helpen kan 

dat juist hij is aangewezen

de wereld te vertellen

over haar ongelijk

 

1979

Het nieuwe jaar

Met de knallende champagnekurk

is ons dit keer ook de vreugde ontschoten

maar wat hebben we genoten

van het vuurwerk en moeders jurk

die de hens in ging

en oma die stikte in een oliebol

het heerlijk ding.

 

Nee, smart en kommer

zullen ons het komend jaar vergezellen

breekt de pest uit

het zou me niet verbazen.

 

De volledige drankvoorraad

was snel uitgeput

ieder vond al gauw in zijn kraag

een duizelend stuk

als schepje boven op dit feest

doet pa maar al te graag

een rotje in zijn broek

en schreeuwt om het meest

 

Is dit het begin?

het eind is reeds zoek!

 

1979

Meneer Veen

Reeds jaren probeerde hij één te worden met de natuur. In een groen pak en zijn gezicht besmeurd met modder lag hij daar te vegeteren tussen varens en half onder bladeren verscholen. Elke dag een centimeter dichter bij de waterkant. Hij waande zich een plant. ‘Meneer Veen’, riep de zuster, ‘komt u een kopje thee drinken?’ Oh, wat ergerde hij zich daaraan. Altijd als hij net een gesprek was begonnen met de andere planten riep de zuster hem. ‘Meneer Veen, wat ziet u er weer uit, wilt u niet liever gewoon een wandeling maken door het bos, dan geniet u toch ook van de natuur?’ Het was altijd hetzelfde liedje: ‘U maakt uw kleren zo vies meneer Veen, waarom doet u dat nou meneer Veen?’ Laat ze maar kletsen dacht hij dan, eens zal ik verdwenen zijn.

 

1980